Ontwerp

De eerste tekeningen voor het poortgebouw van Thomsen's Havenbedrijf dateren van november 1943, ruim een half jaar na de eerste -nog geringe- verwoestingen in de Lekhaven.
Dat architect Van den Broek experimenteerde met verschillende ruimtelijke indelingen, gevelbekledingen en dakvormen lijkt erop te duiden dat het loodsencentrum niet puur utilitair was, maar hét gezicht moest worden van het naoorlogse Thomsen’s Havenbedrijf.


Plattegronden waren bij deze experimentele ontwerpen nog niet aanwezig; het ging in eerste instantie voornamelijk om de totstandkoming van een aansprekend bouwvolume. Bij het eerste idee projecteerde hij een uitkijktoren op het dak. Het lijkt zowel een oplossing te zijn voor de inspectiefunctie als een blikvanger die van verre de aandacht trok. Voor de dakvorm gold hetzelfde: deze was met de cilindrische sheddaken zowel functioneel als opvallend. Bij een variant van het eerste plan is het dak juist plat gelaten voor het parkeren van auto’s en fietsen; door hellingbanen zouden deze het gebouw in en op kunnen rijden, waardoor de waardevolle begane grond vrij zou kunnen blijven. In volgende plannen verdween de toren, de sheddaken bleven.

De ontwerpen uit 1943 bleken al snel slechts een aanleiding te zijn tot een ontwerp waar Thomsen’s Havenbedrijf bij monde van J.Ph. Backx grote invloed op had. In het prille begin van 1946 kwamen vertegenwoordigers van zowel de opdrachtgever als van het architectenbureau bij elkaar om de uitvoering te bespreken. Zowel Van den Broek als Backx schoven alleen bij de belangrijkste vergaderingen aan. Het meeste werk vanuit h et architectenbureau gebeurde door meewerkend architect H.B.J. (Henk) Lops.

De eerste ontwerpen die besproken werden voor het poortgebouw droegen nog veel kenmerken van de experimentele plannen uit 1943. Het gebouw zou een lengte van 92,5 meter moeten krijgen, bijna 40 meter langer dan het uiteindelijke ontwerp. Er was nog sprake van een opgang voor automobielen, waardoor op het dak geparkeerd kon worden.

Van den Broek en Lops hadden voor de constructie van het gebouw twee opties tegenover elkaar gezet: één van beton en één van ijzer. De laatste bleek goedkoper (ƒ2.282.101,85 tegenover ƒ2.015.397,50). De voorkeur van zowel Van den Broek als van ir. Drenth, de bedrijfsarchitect van Thomsen’s Havenbedrijf, ging uit naar beton dat ‘fraaier’ zou zijn; Backx echter besloot dat het gebouw, omwille van de kosten, een ijzeren constructie zou krijgen.

Financiën hadden in tijden van schaarste dus een grote invloed en omwille daarva moesten er meer aanpassingen gedaan worden. Dat leidde tot ontwerpen waarbij het gebouw slechts gedeeltelijk werd overkapt en korter werd. Daarbij zouden alle representatieve ruimtes, zoals de bazenkantoren en de passagiersruimte, aan de kant van de Keilestraat gebouwd moeten worden. Verder vond Backx de gevels van het gebouw, die bijna geheel van glas zouden worden, te gevoelig voor schade.

De ideeën over een niet geheel overkapt poortgebouw werden in de zomer en het najaar van 1946 bedacht. Niet toevallig werd in de daaropvolgende winter toch besloten de gehele begane grond van het centrum af te sluiten met een glaspui: niet alleen zouden de bovenliggende toiletten en douches dan beter beschermd zijn tegen vrieskou, ook zou het zorgen voor een vorstvrije ruimte voor de door benzine aangedreven vrachtwagens. De keuze voor het afsluiten van de begane grond betekende dat ook op de verdieping de kantoren en de passagiersruimte naar de rivierzijde verplaatst werden; een plaats die zowel praktisch als representatief gezien veel logischer was. Backx gaf later te kennen zelf ook graag een kantoortje te hebben in het poortgebouw, vlakbij de inspecteurs.

De vaak indirecte maar toch constante bemoeienis van Backx zorgde ervoor dat de samenwerking tussen architectenbureau en Thomsen's Havenbedrijf niet zonder slag of stoot verliep. Thomsen's Havenbedrijf had, zonder opgave van redenen, een ander architectenbureau dan Brinkman & Van den Broek en een andere ijzerleverancier dan De Vries Robbé opdracht gegeven voor een alternatief loodsenontwerp. Van den Broek was hierover diep verontwaardigd aangezien dit ‘geheel in strijd was met het in de bouwwereld gebruikelijke’ maar ook omdat het de eenheid tussen poortgebouw en loodsen teniet zou doen. Van den Broeks felle reactie zorgde ervoor dat Backx het ontwerp en de bouw toch in zijn geheel gunde aan Brinkman & Van den Broek.

Na het gesteggel over het bouwvolume en de aanbesteding bleek dat Backx zijn invloed ook ten faveure van het comfort en de verheffing van de werknemers inzette. Over plan 4 zei hij dat zowel de wasbakken als de douchecellen voor de arbeiders te krap waren. Dit gold ook voor de toiletten bij de passagiersruimte. Daarnaast wees hij de architecten op de stuwadoorswet die op stapel stond: de kantine moest minstens 1,2 vierkante meter per persoon meten, er moest één toilet per 25 man en 1 kraan per 5 personen in de wasruimte komen. In plaats van de lange tafels die Van den Broek had getekend wilde Backx ronde tafels in de kantine, zodat de arbeiders gemakkelijker contact konden maken. De verheffing kwam nog wel het duidelijkst naar voren in Backx’ idee om een bibliotheek in de kantine te plaatsen; vermoedelijk is dat plan nooit uitgevoerd.